Je ademt ongeveer twintigduizend keer per dag, bijna altijd zonder erbij na te denken.
Wat gebeurt er precies?
Je middenrif trekt samen en zakt. Daardoor wordt je borstkas groter, daalt de druk erin, en stroomt lucht naar binnen.
Uitademen gaat in rust vanzelf: het middenrif ontspant en het weefsel veert terug. Inademen kost energie en uitademen niet, en dat is de reden dat een lange uitademing rustgevender voelt.
Waar zit de uitwisseling?
In de longblaasjes, een paar honderd miljoen kleine zakjes aan het eind van de vertakkingen. Uitgevouwen zouden ze samen een oppervlak van tientallen vierkante meters beslaan.
De wand daarvan is één cellaag dik, en daar ligt een haarvat tegenaan. Zuurstof gaat die kant op, kooldioxide komt terug.
Waarom adem je eigenlijk?
Niet vanwege zuurstoftekort, in normale omstandigheden. Je ademprikkel zit vooral op kooldioxide, en dat verrast vrijwel iedereen.
Bouwt kooldioxide op, dan wordt je bloed iets zuurder, en dat merken sensoren in je hersenstam en in je vaten op. Dan ga je sneller ademen.
Dat is ook waarom je na flink doorademen even geen behoefte hebt om te ademen: het kooldioxide is laag, niet de zuurstof hoog.
Wat verandert er met de jaren?
Je borstkas wordt stijver en je middenrif zwakker. De kleine luchtwegen vallen eerder dicht bij uitademen.
De gemeten longinhoud daalt daardoor langzaam, vanaf ergens rond je vijfentwintigste. Hoeveel je daarvan merkt hangt af van hoeveel je van je longen vraagt, en roken versnelt het proces met afstand het hardst.

