In je kern ligt de tekst. Buiten de kern staat de fabriek. Tussen die twee zitten twee stappen.
Stap één: een kopie maken
Een stuk DNA wordt opengeritst en er wordt een kopie van gemaakt in RNA. Die kopie heet boodschapper-RNA en verlaat de kern.
Dat kopiëren heet transcriptie, en het gebeurt niet van je hele DNA tegelijk. Per cel wordt maar een deel van de tekst gelezen, en welk deel dat is, bepaalt wat voor cel het is.
Een levercel en een hersencel hebben hetzelfde DNA en lezen er iets anders uit. Dat is meteen het idee onder epigenetica.
Stap twee: de kopie uitvoeren
Bij het ribosoom wordt de kopie per drie letters gelezen. Elk drietal staat voor één aminozuur.
Overdrachts-RNA brengt telkens het juiste aminozuur aan, en het ribosoom koppelt ze aan elkaar tot een keten. Dat heet translatie.
En daarna?
Een keten is nog geen werkend eiwit. Hij moet zich opvouwen in precies de juiste vorm, want de vorm is de functie.
Dat vouwen gaat meestal vanzelf, en soms helpen andere eiwitten een handje. Die helpers heten chaperonnes.
Gaat het vouwen mis, dan heb je een eiwit dat niets doet en in de weg ligt. Verkeerd gevouwen eiwitten die zich opstapelen zijn een van de mechanismen achter veroudering, en ze spelen een rol bij ziekten van de hersenen.
Daarom heeft een cel systemen om ze op te ruimen. Dat is het onderwerp van de les over zelfopruiming verderop.

