Negen lessen, en de vraag die overblijft is wat je nu daadwerkelijk laat prikken.
Wat is een bruikbare basis?
Zeven dingen, en ze zijn samen goedkoop.
Een vetprofiel, met triglyceriden en HDL erbij. Nuchtere glucose en nuchtere insuline samen. Langetermijnsuiker.
Een gevoelige ontstekingswaarde. Leverwaarden. Nierfunctie met eiwit in je urine. En vitamine D in de winter.
Daarnaast één keer in je leven het erfelijke deeltje uit de les over vetten, want dat verandert toch niet.
Wat voeg je toe bij een vraag?
Ferritine bij moeheid, vooral bij vrouwen. Schildklierwaarden bij moeheid of gewichtsverandering. B12 bij plantaardig eten of bij tintelingen.
Het deeltjesaantal uit de les over vetten als je een verhoogd risico hebt.
Urinezuur als er sprake is van insulineresistentie of van gewrichtsklachten.
Hoe vaak?
Voor een gezond iemand zonder klachten: eens per één tot twee jaar is ruim voldoende.
Vaker meten levert vooral ruis op. De meeste waarden verschuiven trager dan de meetonzekerheid, dus twee metingen kort na elkaar tonen vooral het lab en niet jou.
Bij een verandering die je doorvoert: na drie tot zes maanden opnieuw, want dat is de tijd die de meeste waarden nodig hebben.
Waarom is een breed pakket een slecht idee?
Omdat elke bepaling vijf procent kans geeft op een afwijkende uitslag bij een gezond iemand. Bij dertig bepalingen is er dus bijna altijd iets.
Dat leidt tot ongerustheid, tot vervolgonderzoek, en soms tot een ingreep voor iets dat er niet was.
Een test is alleen zinvol als je vooraf weet wat je met de uitkomst doet. Dat is de samenvatting van deze hele module.
Wat komt hierna?
De verdiepende stof: de mechanismen waar het onderzoek nu naartoe gaat, en hoe je die beoordeelt.

