Je hebt twee voorraden, en ze verschillen enorm in grootte en in doel.
De snelle voorraad
Glycogeen: glucose aan elkaar geknoopt tot vertakte ketens, opgeslagen in je lever en je spieren.
Samen gaat het om een paar honderd gram, goed voor grofweg een dag aan energie. Het bindt bovendien water, ongeveer drie gram per gram glycogeen.
Dat water is de reden dat je in de eerste dagen van een koolhydraatarm dieet snel kilo's verliest. Dat is geen vet, en het komt terug zodra je weer normaal eet.
Het glycogeen in je lever is er voor je hele lichaam en houdt je bloedsuiker stabiel tussen maaltijden. Dat in je spieren is alleen voor die spier zelf.
De grote voorraad
Vet, opgeslagen in vetcellen. Vrijwel onbeperkt in omvang, en dat is precies het probleem en de kracht ervan.
Vetweefsel is geen zak. Het is een actief orgaan dat hormonen afgeeft, waaronder signalen over hoeveel voorraad er is en signalen die met ontsteking te maken hebben.
Waarom maakt de plek uit?
Omdat vet onder je huid iets anders doet dan vet rond je organen.
Onderhuids vet is grotendeels opslag en is betrekkelijk onschuldig. Vet rond je buikorganen geeft veel meer ontstekingssignalen af, en het loost vetzuren rechtstreeks in de ader die naar je lever gaat.
Daarom zegt een buikomvang vaak meer dan een gewicht, en daarom kan iemand met een normaal gewicht toch een ongunstig profiel hebben.
Nog een stap verder gaat vet dat zich ophoopt in je lever, je spieren of je alvleesklier zelf. Dat is de sterkste voorspeller van insulineresistentie die er is, en dat is het onderwerp van de volgende les.

