Naast elke uitslag staat een marge. Bijna niemand weet waar die vandaan komt, en dat verandert hoe je hem leest.
Waar komt de referentiewaarde vandaan?
Uit een groep mensen die als gezond werd beschouwd. De middelste vijfennegentig procent van hun uitslagen vormt de marge.
Dat betekent twee dingen die zelden worden gezegd.
Vijf van de honderd gezonde mensen vallen per definitie buiten de marge. Doe je twintig bepalingen, dan is er gemiddeld één afwijkend zonder dat er iets is.
En de referentiegroep is de bevolking zoals die is. Normaal betekent gebruikelijk en niet gezond, en dat is bij waarden die met leefstijl te maken hebben een echt verschil.
Wat is dan wel bruikbaar?
Drie dingen.
De richting waarin een waarde beweegt over meerdere metingen. Die zegt meer dan één uitslag, en veel meer dan of hij net binnen of net buiten de marge valt.
Het patroon van meerdere waarden samen. Een enkele waarde is bijna nooit genoeg om iets te concluderen.
En de context: wat at je, wanneer, had je koorts, had je gesport. Een ontstekingswaarde na een verkoudheid is onbruikbaar.
Wat is meetruis?
Elke bepaling heeft een spreiding, en dezelfde persoon op dezelfde dag geeft twee verschillende uitslagen.
Bij sommige waarden is die spreiding groot genoeg om een verschil van tien procent betekenisloos te maken. Een uitslag die van 4,9 naar 5,2 gaat, is vaak geen verandering.
Wat volgt hieruit?
Dat meten pas nut heeft als je weet wat je met de uitkomst gaat doen.
Een brede test zonder vraag levert vooral afwijkingen op die niets betekenen, en daar volgt onrust en verder onderzoek uit. Dat is geen theoretisch bezwaar; het is de meest voorkomende schade van commerciële testpakketten.

