Drie van de vier soorten, en het zijn meteen de drie die op elke verpakking staan.
Wat is een koolhydraat?
Een suikermolecuul, of een keten daarvan.
Eén los molecuul is de eenvoudigste vorm: glucose is je belangrijkste brandstof, fructose zit in fruit. Twee aan elkaar geeft tafelsuiker of melksuiker.
Lange ketens zijn het interessantst. Zetmeel is hoe planten energie opslaan. Glycogeen is hoe jij dat doet, in je lever en je spieren. Cellulose is dezelfde soort keten die jij niet kunt verteren, en dat is precies wat een vezel is.
Wat is een vet?
Vetzuren zijn de bouwstenen. Verzadigd betekent geen dubbele bindingen, meestal vast bij kamertemperatuur. Onverzadigd betekent er wel een of meer, zoals bij omega 3.
Drie vetzuren aan een glycerolmolecuul heet een triglyceride, en dat is de vorm waarin je vet opslaat.
Maar vet is veel meer dan voorraad. Fosfolipiden vormen de wand van elke cel die je hebt, en sterolen zoals cholesterol zijn de grondstof voor je hormonen, waaronder testosteron en oestrogeen.
Wat is een eiwit?
Een keten van aminozuren. Er zijn er twintig, en een deel daarvan kan je lichaam niet zelf maken, dus die moeten uit je eten komen.
De volgorde van die aminozuren bepaalt hoe de keten zich opvouwt, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet. Dat vouwen gaat in lagen, van een lokale spiraal tot een complete driedimensionale vorm.
Gaat die vorm kapot, door hitte of door extreme zuurgraad, dan is de functie weg. Een gebakken ei wordt nooit meer vloeibaar, en dat is precies wat er dan gebeurd is.
Eiwitten doen bijna alles. Ze zijn enzym, ze zijn bouwsteen zoals collageen, ze vervoeren zuurstof zoals hemoglobine, en veel hormonen zijn het ook.

