Biljoenen cellen die niets van elkaar weten worden geen lichaam. Er is voortdurend verkeer tussen ze.
Hoe werkt een signaal?
Een cel geeft een molecuul af. Een andere cel heeft een ontvanger die precies op dat molecuul past. Als het past, verandert er iets in de ontvangende cel.
Die ontvangers zitten meestal in de celwand, want de meeste signaalmoleculen komen er niet doorheen. Vetoplosbare signalen zijn de uitzondering, want die gaan dwars door de wand heen en binden binnenin. Steroïdhormonen werken zo.
Wat gebeurt er daarna?
Eén signaal aan de buitenkant wordt binnen een reeks stappen die elkaar in gang zetten. Elke stap versterkt het bericht.
Daardoor kan een handjevol moleculen aan de buitenkant duizenden moleculen in de cel in beweging brengen. Het is een versterker en geen doorgeefluik.
Over welke afstand?
Drie afstanden, en ze hebben alle drie een eigen rol.
Een cel kan zijn buurman aanspreken, direct ernaast. Een cel kan iets afgeven dat alleen in de buurt werkt. En een klier kan iets in je bloed afgeven dat overal komt, en dat zijn hormonen.
Wat gaat hier mis?
Een cel kan doof worden voor een signaal dat te vaak komt. De ontvangers nemen af in aantal of reageren minder.
Dat is precies wat insulineresistentie is, en het is een van de belangrijkste onderwerpen verderop in deze opleiding. Het signaal is er nog, en er wordt niet meer geluisterd.
Daarnaast raakt dit verkeer met de jaren rommeliger. Dat is een van de erkende mechanismen achter veroudering, en het komt terug in de module daarover.

