Een zenuwcel ontvangt aan de ene kant, geleidt in het midden, en geeft aan de andere kant door. Die uitloper kan tot een meter lang zijn.
Hoe gaat een signaal door?
Als een elektrische puls langs de uitloper, gedragen door geladen deeltjes die in en uit de cel bewegen. Natrium en kalium doen dat werk.
Snelheid komt van isolatie. Een uitloper met een vettige laag eromheen geleidt vele malen sneller dan een kale, omdat de puls van onderbreking naar onderbreking springt.
Aan het eind springt het signaal over naar de volgende cel. Dat gaat niet elektrisch maar chemisch: er komt een stof vrij die aan de overkant bindt. Daar grijpen vrijwel alle medicijnen voor het zenuwstelsel aan.
Wat stuur je zelf en wat niet?
Eén deel doet wat je wilt: je pakt een glas, je zet een stap.
Het andere deel regelt wat je niet bewust doet: hartslag, spijsvertering, zweten, pupilgrootte. Dat deel heeft twee standen die elkaar in evenwicht houden.
De ene stand maakt klaar voor inspanning: hartslag omhoog, luchtwegen open, spijsvertering op een lager pitje. De andere doet het omgekeerde en hoort bij rust, verteren en herstel.
Die twee staan niet aan of uit. Het is een verhouding die voortdurend verschuift, en dat is de nuance die in de meeste verhalen over stress ontbreekt.
Wat is de nervus vagus?
De langste zenuw van dat onbewuste deel. Hij loopt van je hersenstam naar je hart, je longen en je buik.
Hij is de belangrijkste drager van de rustkant. Hij draagt ook informatie omhoog, van je organen naar je hoofd, en in dat verkeer is de richting van beneden naar boven zelfs de drukste.
Er wordt veel omheen verkocht. Het idee dat je via je ademhaling invloed hebt op deze kant klopt in grote lijnen; hoe sterk en hoe lang dat werkt is een vraag met een eigen antwoord, en dat staat verderop.

