Een virus is geen cel. Het is een stukje erfelijk materiaal in een jasje, en verder niets.
Het heeft geen stofwisseling, het maakt geen energie, en het kan zichzelf niet vermenigvuldigen. Alleen in een levende cel gebeurt er iets, en daarbuiten ligt het stil.
Hoe werkt een besmetting?
Het virus bindt aan een ontvanger op de celwand, die er toevallig op past. Daarna komt het naar binnen.
Binnen geeft het zijn code af aan de machinerie van de cel. Die machinerie maakt vervolgens braaf nieuwe virusdeeltjes in plaats van waar hij voor bedoeld was.
Als de cel vol is, breekt hij open of laat hij de deeltjes naar buiten. Beide leveren nieuwe virussen op die bij de buren aankloppen.
Waarom werkt een antibioticum niet?
Omdat een antibioticum aangrijpt op dingen die alleen een bacterie heeft: een celwand, een eigen eiwitfabriek, een eigen stofwisseling.
Een virus heeft dat allemaal niet. Er is niets om aan te vallen dat niet ook van jouw cel is.
Dat is de kern van waarom een antibioticum bij griep of verkoudheid niets doet, en waarom het toch schade aanricht in je darm.
Wat doe je er dan tegen?
Vaccinatie leert je afweer een virus herkennen voordat het langskomt. Antivirale middelen bestaan voor een aantal virussen en remmen een specifieke stap.
En verder je eigen afweer, die dit al miljoenen jaren doet.
Blijft een virus?
Sommige wel. Een aantal virussen trekt zich na de eerste infectie terug en blijft levenslang in je lichaam zitten, stil, tot het weer opspeelt.
Dat is geen zeldzaamheid maar de regel bij bepaalde families, en het is een van de redenen dat chronische, laaggradige ontsteking met de jaren toeneemt.

