Fermenteren is bacteriën of gisten hun werk laten doen op eten. Dat maakt het langer houdbaar, verandert de smaak, en verandert wat erin zit.
Wat is er gefermenteerd?
Yoghurt, kefir, zuurkool, kimchi, miso, tempé, kombucha. Brood en bier ook, al zijn de organismen daar dood.
Dat laatste onderscheid telt. Een gefermenteerd product met levende culturen is iets anders dan een gefermenteerd product dat daarna verhit is, en verhitting is bij zuurkool uit een pot de regel.
Wat is er aangetoond?
Het meest overtuigende resultaat komt uit een proef met loting waarin mensen tien weken lang veel gefermenteerd voedsel aten.
Hun darmflora werd gevarieerder en een reeks ontstekingswaarden daalde. Een vezelrijk dieet in dezelfde proef deed dat laatste niet.
Dat is één proef en het is een goede, met een duidelijke uitkomst en een controlegroep.
En probiotica in een potje?
Hier hangt alles aan de stam, en dat is het punt dat de verpakking omzeilt.
Het bewijs is stamgebonden, niet soortgebonden. Twee producten met dezelfde soort op het etiket kunnen totaal verschillende stammen bevatten met totaal verschillend onderzoek erachter.
Waar het bewijs het sterkst is: diarree na antibiotica, en bepaalde darmklachten. Daarbuiten is het dun tot afwezig.
De vier vragen uit de module over microbiologie gelden hier onverkort: welke stam, voor welke klacht, hoeveel, en is er een proef bij mensen.
Wat is het redelijke advies?
Eten gaat voor een potje. Het is goedkoper, het bevat meer verschillende soorten, en het komt met de rest van het voedingsmiddel mee.
Een probioticum is zinvol bij een specifieke reden met een specifieke stam. Een onderhoudsdosis zonder aanleiding is dat vrijwel zeker niet.

