Stofwisseling is alles wat je lichaam met stoffen doet. Dat valt in twee helften uiteen.
Afbreken levert energie op: je haalt grote moleculen uit elkaar. Opbouwen kost energie: je maakt er nieuwe van. Die twee lopen voortdurend tegelijk, en de verhouding verschuift met wat je doet en wanneer je gegeten hebt.
Waar gaat je energie heen?
Het grootste deel gaat op aan niets doen. Je hart, je hersenen, je lever en je nieren draaien dag en nacht door, en samen zijn ze goed voor rond de twee derde van je verbruik.
Wat je eet verteren kost ook energie, ongeveer een tiende, en bij eiwit meer dan bij vet of koolhydraat.
Dan pas komt beweging. Sporten is daar maar een deel van; alle beweging die geen sport is, van staan tot met je been wippen, telt bij elkaar vaak zwaarder.
Heeft iemand een trage stofwisseling?
Er is verschil tussen mensen, en het is kleiner dan het aanvoelt. Bij dezelfde lengte, gewicht en spiermassa liggen de rustwaarden meestal binnen een marge van zo'n tien tot vijftien procent.
Wat veel meer scheelt is spiermassa en hoeveel je op een dag beweegt. Dat zijn allebei dingen waar je iets aan kunt doen, en dat is de reden dat wij die verklaring niet vaak accepteren.
Een echte uitzondering bestaat wel: een schildklier die te traag werkt verlaagt je verbruik meetbaar. Dat is te meten in je bloed en dus geen kwestie van vermoeden.
Wat verandert er met de jaren?
Minder dan lang is aangenomen. Recent groot onderzoek laat zien dat het energieverbruik per kilo tussen ongeveer je twintigste en je zestigste vrij stabiel blijft, en daarna geleidelijk daalt.
Dat wat mensen op middelbare leeftijd zien aankomen, komt dus eerder van minder spiermassa en minder bewegen dan van een stofwisseling die opeens anders werkt.

