Spierweefsel doet één ding: korter worden. Alles wat je lichaam beweegt, van een stap tot een hartslag, komt daarop neer.
Welke drie soorten zijn er?
Skeletspieren, die aan je botten vastzitten en die je bewust aanstuurt. Dat is het grootste deel van je spiermassa.
Hartspier, die alleen in je hart zit en die uit zichzelf ritmisch samentrekt, zonder dat je eraan denkt.
Gladde spier, die in de wand van je darmen, je bloedvaten, je blaas en je luchtwegen zit. Die stuurt je ook niet zelf aan.
Hoe ontstaat een samentrekking?
In een spiervezel liggen twee soorten eiwitdraden naast elkaar. Bij een signaal grijpen de ene in de andere en trekken zich eraan voorbij.
Daardoor schuiven ze langs elkaar heen en wordt de vezel korter. Dat kost ATP, en het loslaten kost het ook. Dat laatste is waarom een lichaam na de dood stijf wordt.
Het startsein komt via een zenuw, en calcium is de schakelaar die de draden vrijgeeft.
Waarom telt spiermassa zo zwaar?
Omdat een spier meer is dan beweging.
Het is je grootste afnemer van glucose. Spierweefsel haalt suiker uit je bloed, en meer spier betekent meer plek om het te laten. Dat raakt rechtstreeks aan insulinegevoeligheid.
Het is een orgaan dat stoffen afgeeft. Bij inspanning geeft spierweefsel signalen af die elders in je lichaam iets doen, tot in je hersenen.
En het is je reserve. Bij ziekte breekt je lichaam spier af om aan aminozuren te komen, en wie weinig heeft, heeft weinig te verliezen.
Wat gebeurt er met de jaren?
Vanaf ergens in de dertig gaat spiermassa langzaam achteruit, en dat versnelt later. De snelle vezels verdwijnen eerder dan de trage.
Dat verlies heet sarcopenie en het is een van de sterkste voorspellers van hoe zelfstandig iemand oud wordt. Het is ook een van de best te beïnvloeden dingen in deze hele opleiding.

