Deze les gaat over wat te veel vetweefsel doet in je lichaam. Niet over hoe je eruitziet, en niet over schuld.
Waarom is BMI onvoldoende?
Omdat het een verhouding tussen gewicht en lengte is, en verder niets weet.
Het onderscheidt geen spier van vet, en het weet niet waar het vet zit. Iemand met veel spiermassa krijgt een ongunstige uitslag zonder dat er iets aan de hand is.
Andersom kan iemand met een normale BMI wel degelijk een ongunstig profiel hebben, als er vet rond de organen en in de lever zit.
Een meetlint om je middel zegt meer, en de verhouding tussen je middel en je lengte zegt nog iets meer. Als richtlijn wordt aangehouden dat je middel minder dan de helft van je lengte hoort te zijn.
Wat doet vetweefsel als het te veel wordt?
Vetcellen worden groter en raken op een gegeven moment vol. Dan gebeuren er twee dingen.
Er komen afweercellen in het vetweefsel, en de ontstekingssignalen nemen toe.
En het overschot gaat naar plekken waar het niet hoort: je lever, je spieren, je alvleesklier, rond je hart. Dat heet vet op de verkeerde plek, en het hangt sterker samen met problemen dan de totale hoeveelheid.
Waarom lukt afvallen zo vaak niet?
Omdat je lichaam zich verzet, en dat is geen gebrek aan wilskracht.
Bij gewichtsverlies daalt je rustverbruik meer dan op grond van het nieuwe gewicht verwacht mag worden. Tegelijk stijgen honger-signalen en dalen verzadigingssignalen, en dat blijft maanden tot jaren aanhouden.
Je lichaam verdedigt een hoger gewicht actiever dan een lager. Dat is de reden dat de meeste mensen terugkomen op hun oude gewicht, en dat zegt iets over het systeem en niet over de persoon.
Wat volgt daaruit?
Dat traag en volhoudbaar meer oplevert dan snel en streng. Dat spierbehoud tijdens afvallen zwaar telt, want spier is wat je rustverbruik overeind houdt.
En dat de vraag niet is hoe je vijf kilo kwijtraakt maar hoe je een gewoonte vindt die je over vijf jaar nog hebt.

