Als een cel een stadje is, zijn organellen de gebouwen: een energiecentrale, fabrieken, een verpakkingsdienst en een afvalverwerking.
De energiecentrale
Mitochondriën maken het grootste deel van je ATP. Ze hebben een dubbele wand, waarvan de binnenste sterk geplooid is om oppervlak te winnen.
Ze zijn bijzonder om drie redenen. Ze hebben hun eigen DNA, los van dat in de kern. Ze delen zichzelf. En ze komen vrijwel volledig van je moeder.
Ze zijn ook waar de meeste vrije radicalen ontstaan, als bijproduct van het maken van energie. Dat maakt ze tegelijk de bron en het eerste slachtoffer van oxidatieve schade, en het is de reden dat ze in bijna elke module hierna terugkomen.
De fabrieken
Ribosomen maken eiwitten. Ze lezen de kopie uit de kern en zetten aminozuren in de juiste volgorde aan elkaar.
Sommige zweven vrij rond, andere zitten vast op het endoplasmatisch reticulum. Dat is een netwerk van membranen door de cel heen. Het deel met ribosomen erop maakt eiwitten voor buiten de cel; het deel zonder maakt vetten en ruimt gifstoffen op.
De verpakkingsdienst
Het golgi-apparaat neemt eiwitten aan, werkt ze af, voorziet ze van een adres en verstuurt ze. Zonder die stap komt het juiste eiwit niet op de juiste plek.
De afvalverwerking
Lysosomen zijn blaasjes met afbrekende enzymen erin en een zure inhoud. Daar worden versleten onderdelen uit elkaar gehaald tot bruikbare bouwstenen.
Dit is de plek waar de zelfopruiming eindigt die verderop in deze module een eigen les krijgt.
Peroxisomen doen iets vergelijkbaars voor een ander soort werk: ze breken bepaalde vetzuren af en maken waterstofperoxide onschadelijk.

