Vrije radicalen zijn geen ongeluk. Ze ontstaan voortdurend bij het maken van energie, en je lichaam heeft er systemen tegen.
Van een probleem is pas sprake als de aanmaak de opruiming overtreft. Dat heet oxidatieve stress.
Wat beschadigt er?
Drie dingen, en alle drie hebben gevolgen die je elders in deze opleiding tegenkomt.
Je DNA, wat mutaties oplevert en bijdraagt aan kanker. Je eiwitten, die hun vorm en dus hun functie verliezen. En de vetten in je celwanden, waar de schade zich als een ketting verder verspreidt.
Dat laatste raakt ook je cholesterol. Geoxideerd LDL gedraagt zich heel anders dan gewoon LDL en speelt een hoofdrol bij aderverkalking.
Wat beschermt er tegen?
Je eigen systemen doen het grootste deel. Een aantal enzymen ruimt radicalen op, en die enzymen hebben mineralen nodig: zink, koper, mangaan en selenium.
Daarnaast glutathion, dat je zelf aanmaakt en dat het belangrijkste is van het stel.
Uit je eten komen vitamine C, vitamine E en een grote groep plantenstoffen.
Helpt meer antioxidanten slikken?
Niet vanzelfsprekend, en dat is een van de nuttigste dingen in deze module.
Grote onderzoeken met hoge doses losse antioxidanten hebben geen gezondheidswinst laten zien, en bij bètacaroteen bij rokers zelfs meer longkanker.
De verklaring is dat radicalen ook signaalfunctie hebben. Je lichaam gebruikt ze om te merken dat er gesport is en dat het zich moet aanpassen. Alles wegvangen vertelt je lichaam dat er niets gebeurd is.
Dat is precies waarom hoge doses antioxidanten rond training de aanpassing eraan kunnen dempen.
Wat dan wel?
Eten waar die stoffen in zitten, in de hoeveelheden waarin ze daar zitten. Dat is een ander verhaal dan losse stoffen in tien keer de dosis.
En de bronnen verminderen: roken, te veel alcohol, luchtvervuiling en zonverbranding.

