Voordat de middelen komen: het raster waarmee je ze beoordeelt. Het is hetzelfde raster bij alle twintig.
De zes vragen
Is er onderzoek bij mensen, of alleen bij cellen en dieren. Dat is de eerste zeef en de meeste middelen vallen er al doorheen.
Gaat het over een uitkomst die ertoe doet, of over een tussenwaarde. Een verbeterde labwaarde is geen gezondheid.
Wat was de dosis in het onderzoek, en zit dat in het product. Vaak is het antwoord nee en scheelt het een factor tien.
Wordt het opgenomen. Een stof die niet door je darmwand komt, doet niets, hoeveel je er ook van slikt.
Wie betaalde het onderzoek. Dat verandert de uitkomst niet en wel de weging.
En zit er in wat op het etiket staat. Deze markt wordt anders gecontroleerd dan geneesmiddelen, en onafhankelijke tests vinden regelmatig afwijkingen.
Waarom is de regelgeving anders?
Omdat een supplement juridisch een levensmiddel is en geen geneesmiddel. Er hoeft geen werking te worden aangetoond voordat het in de schappen ligt.
Wat wel geregeld is: op de verpakking mogen alleen goedgekeurde gezondheidsclaims staan. Dat is precies waarom de beloftes op websites en in filmpjes staan en niet op het potje.
Wat is het patroon dat je gaat zien?
Bij drie of vier middelen is het bewijs redelijk tot goed. Bij een handvol is het bescheiden en veelbelovend. Bij de rest is het aannemelijk in theorie en niet aangetoond bij mensen.
Die verdeling is de belangrijkste uitkomst van deze module.
Wanneer is aanvullen wel logisch?
Bij een aangetoond tekort. Dat is de enige situatie waarin het antwoord vrijwel altijd ja is.
Daarnaast bij een situatie waarin een tekort voorspelbaar is: vitamine D in de winter, B12 bij plantaardig eten, foliumzuur rond een zwangerschap.

