Een consumententest kijkt naar plekken in je DNA waar mensen van elkaar verschillen. Deze les gaat over wat je daarmee kunt.
Wat is het probleem met de meeste uitslagen?
Dat de effecten piepklein zijn. Een variant die je risico op iets met vijf procent verhoogt, verandert niets aan wat je zou doen.
En dat de voorspelling per persoon zwak is. Een verhoogd risico op bevolkingsniveau betekent voor jou nog steeds vooral onzekerheid.
Wat je test niet vertelt, is wat je eraan kunt doen, en dat is bij vrijwel alle uitslagen hetzelfde als zonder test.
Welke varianten doen er wel toe?
Een beperkte lijst, en die staat zelden vooraan in het rapport.
De variant die het risico op alzheimer aanzienlijk verhoogt bij twee kopieën. Dat is een echt verschil en het is een uitslag waar je van tevoren over moet nadenken of je hem wilt weten, want er is geen behandeling.
Erfelijk verhoogd cholesterol. Dat is een van de weinige uitslagen die direct tot handelen leidt, en die wordt bovendien in de familie gevonden zonder test.
Erfelijke ijzerstapeling, die goed te behandelen is als hij op tijd wordt gevonden.
Varianten die bepalen hoe je medicijnen afbreekt. Dat wordt in de zorg gebruikt en het is nuttig.
En de methylatievariant?
De bekendste variant uit die hoek komt bij ongeveer de helft van de bevolking voor.
Wat daarop verkocht wordt, is een specifieke vorm van foliumzuur, tegen een veelvoud van de prijs.
Voor de meeste mensen met die variant is er geen aangetoond klinisch verschil, en dat is ons oordeel. De variant is te gewoon om een aandoening te zijn.
Wat is de grootste beperking?
Dat vrijwel al dit onderzoek bij mensen van Europese afkomst is gedaan. De voorspelling is voor andere achtergronden aanzienlijk zwakker.
Wat is het redelijke gebruik?
Een test doen als je een specifieke vraag hebt, en van tevoren bedenken wat je met elk mogelijk antwoord doet.
En weten waar je gegevens heen gaan, want een DNA-profiel is het meest persoonlijke dat je kunt afstaan, en het is ook van je familie.

