Een enzym is een eiwit dat een reactie versnelt zonder zelf op te gaan. Duizenden tot miljoenen keren sneller dan zonder.
Zonder enzymen zou je stofwisseling zo traag lopen dat leven niet kan. Dat is geen beeldspraak.
Hoe werkt dat?
Elk enzym heeft een plek waar de reactie gebeurt, en die plek past op één bepaald molecuul. Als een sleutel in een slot, al past het enzym zich bij het binden ook nog wat aan.
Wat het enzym daar doet is de drempel verlagen die de reactie moet nemen. Daardoor kan iets bij lichaamstemperatuur gebeuren waarvoor anders hitte nodig was.
Waarom hebben enzymen hulpstoffen nodig?
Omdat veel enzymen het niet alleen kunnen. Ze hebben een hulpstof nodig, en die komt vaak uit je eten.
Een deel daarvan komt uit vitamines: NAD komt van vitamine B3, FAD van B2, en co-enzym A van B5. Die drie zijn onmisbaar bij het maken van energie.
Een ander deel zijn mineralen: magnesium, zink en ijzer geven een enzym de juiste vorm of reactiviteit.
Hier ligt de directe link tussen eten en werken. Bij een tekort aan magnesium of vitamine B2 vertragen honderden processen tegelijk, en dat is precies waarom één tekort zulke uiteenlopende klachten kan geven.
Hoe wordt een enzym geremd?
Op twee manieren, en veel medicijnen werken via een ervan.
Bij de eerste bezet een ander molecuul dezelfde plek, waardoor het echte molecuul er niet meer bij kan. Bij de tweede bindt iets ergens anders op het enzym en verandert de vorm, waardoor het niet meer werkt hoeveel materiaal er ook is.
Waarom werkt meer niet altijd beter?
Omdat een enzym verzadigd kan raken. Bij weinig materiaal stijgt de snelheid mee, en op een gegeven moment is elke plek voortdurend bezet.
Vanaf dat punt verandert er niets meer, hoeveel je er ook bij doet. Dat is de biochemische reden dat een hogere dosis niet automatisch meer effect geeft, en het komt terug zodra het over supplementen gaat.

