Het DNA in één cel is uitgerold ongeveer twee meter lang. De kern waarin het ligt is duizenden keren kleiner dan de punt achter deze zin.
Hoe wordt dat opgeborgen?
Door het op te wikkelen. De streng windt om eiwitklosjes heen, die klosjes vormen samen een draad, en die draad vouwt zich verder op tot een chromosoom.
Dat is niet alleen opbergen. Hoe strak iets opgewikkeld ligt, bepaalt of het gelezen kan worden. Strak ingepakt betekent niet in gebruik; losser betekent beschikbaar.
Wat is een gen?
Een stuk tekst dat de instructie voor één product bevat, meestal een eiwit.
Tussen de genen zit veel meer DNA dan er in de genen zelf zit. Lang werd dat afgedaan als nutteloos; een groot deel ervan blijkt te bepalen wanneer en hoe hard een gen wordt gelezen.
Waarom verschilt een levercel van een hersencel?
Niet door het DNA, want dat is hetzelfde. Door wat eruit gelezen wordt.
In elke cel staat een ander deel van de tekst open en is een ander deel weggevouwen. Dat is wat een cel tot een bepaald soort cel maakt.
Dat aan- en uitzetten heet epigenetica, en het verandert onder invloed van je eten, je slaap, je beweging en je omgeving. Je DNA is de tekst; dit is de opvoering.
Waarom telt dit voor veroudering?
Omdat dat patroon met de jaren verschuift. Dingen die aan hoorden te staan gaan uit, en andersom.
Die verschuiving is zo regelmatig dat er leeftijdsschattingen op gebaseerd zijn. Hoe goed die schattingen zijn, is een eigen vraag en die komt bij de bloedwaarden terug.

